De aanleiding en de noodzaak van het onderzoek naar het juridisch operationaliseren van ‘samenwerking’ in de bouw

Datum bericht: 5 november 2025

In deze gastcolumn (ook verschenen in TBR 2025/124) bespreken Malcolm Aalstein en Natasja van Wijk – van Gilst1 kort de aanleiding, achtergrond en het nut van het onlangs verschenen working paper ‘Samenwerking in de bouw juridisch operationaliseren: wat werkt (niet)?’. Ook kondigen zij een aantal blogs en redactionele bijdragen aan waarin de aanpak en het tussenresultaat van het onderzoek in ‘behapbare brokken’ aan de bouwgemeenschap worden gepresenteerd. De working paper is het tussenresultaat van een onderzoek naar samenwerking in de bouw. Het tussenresultaat is het raamwerk waarmee het onderzoek kan worden uitgevoerd naar de werking en effectiviteit van juridisch geoperationaliseerde instrumenten die op samenwerking gericht gedrag van actoren bij een bouwproces zouden kunnen bevorderen.

1. Aanleiding: behoefte in de sector

De sector is op zoek naar manieren om de samenwerking tussen de verschillende actoren in het bouwproces beter te organiseren en te versterken. Het verbeteren van die samenwerking wordt door veel betrokkenen gezien als een sleutel tot het oplossen van hardnekkige uitdagingen waarmee de sector kampt – variërend van faalkosten en vertragingen tot inflexibiliteit, verlies aan werkplezier en aansprakelijkheidsvraagstukken.2

Maar welke instrumenten zijn effectief in het bevorderen van samenwerking? Hoe zijn deze instrumenten juridisch ingebed? Wat zijn de voorwaarden voor succes? En ook, wanneer is feitelijk sprake van een effectieve samenwerking?

Deze vragen noopten het Instituut voor Bouwrecht (IBR) en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) tot een onderzoek naar de juridische operationalisering van op samenwerking gericht gedrag in de bouw (hierna: deelproject samenwerking (DPS)).3 Dit onderzoeksprogramma maakt deel uit van een meeromvattend onderzoekskader.4 Onlangs is het eerste tussenresultaat van dit deelonderzoek verschenen: een working paper.

2. Onderdeel van iets groters: Naar een coherent en toekomstbestendig stelsel

Onderdeel van iets groters: Naar een ­coherent en toekomstbestendig stelsel
Uit eerder onderzoek naar de ontwikkelingen in de bouw in de afgelopen twee decennia blijkt dat er binnen de bouwpraktijk vooral behoefte bestaat aan bouwprocessen en samenwerkingsverbanden die – qua inrichting – zoveel mogelijk voldoen aan een aantal uitgangspunten.5

Eén van die uitgangspunten is: het bouwproces moet zodanig zijn ingericht dat alle betrokkenen – in elke fase van het traject – worden geprikkeld tot op samenwerking gericht gedrag.

Voor het bouwrecht roept dit belangrijke vervolgvragen op: Welke rol spelen juridische kaders hierbij? Bieden de huidige juridische kaders voldoende ruimte en stimulans? En zo niet, op welke wijze zouden de juridische kaders kunnen of moeten worden aangepast om samenwerking binnen bouwprojecten juridisch te bevorderen?6 Deze vragen hebben geleid tot het Deelproject Samenwerking (DPS).

3. Deelproject samenwerking (DPS)

In DPS wordt gekeken naar bestaande instrumenten die samenwerking in de bouw bevorderen. In kaart wordt gebracht welke instrumenten dat zijn – en dat zijn er enorm veel. Denk bijvoorbeeld aan de PSU en samenwerkingscoach, maar ook aan de early warning clause en de grote variëteit van pain-gain-mechanismen. Ook wordt onderzocht hoe deze instrumenten juridisch worden vormgegeven, hoe effectief die juridische toepassing eigenlijk is én onder welke voorwaarden deze instrumenten succesvol kunnen zijn.

Het doel is dus niet om zelf nieuwe samenwerkingsinstrumenten te ontwikkelen, maar om te kijken welke bestaande instrumenten werken, wanneer ze werken en waarom ze werken. Op basis daarvan worden suggesties gedaan om de juridische implementatie van deze instrumenten te verbeteren en de juridische kaders beter te laten aansluiten op de huidige en toekomstige ontwikkelingen en behoeften in de Nederlandse bouwsector.7

Uit een eerste inventariserend literatuuronderzoek dat binnen DPS is uitgevoerd, blijkt dat er over de effectiviteit van bestaande instrumenten grote beweringen worden gedaan. Beweringen die bij nadere studie vaak fragmentarisch en onvoldoende onderbouwd blijken, maar ook onderling onvergelijkbaar zijn. Bijvoorbeeld omdat de beschrijving van de juridische uitwerking van de instrumenten gemankeerd blijkt, uiteenlopende definities en begrippen worden gehanteerd of de gewenste effecten onvoldoende concreet worden gemaakt. DPS wil zich hiervan onderscheiden door het onderzoek naar deze instrumenten systematisch, eenduidig en in samenhang uit te voeren.

Omdat het gedrag van actoren in de bouw niet enkel via juridische kaders kan worden beïnvloed, wordt het onderzoek in samenhang met kennisgebieden zoals (bouw)management, organisatiekunde en gedragswetenschappen uitgevoerd.8

4. Het raamwerk als noodzakelijke tussenstap

In het working paper dat recent is verschenen, wordt als eerste tussenresultaat een raamwerk gepresenteerd. Dit raamwerk is bedoeld om de werking van op samenwerkingsgedrag gerichte instrumenten te onderzoeken, binnen de context waarbinnen zij worden toegepast, om uitspraken te kunnen doen over hun effectiviteit. Met dit raamwerk wordt een noodzakelijke fundering gelegd voor het systematisch en eenduidig analyseren en beoordelen van de instrumenten.

Met het ontwikkelen en valideren van dit raamwerk is fase 2 van het onderzoek afgerond. De fasen die nu worden opgestart, zijn gericht op het onderzoek naar de instrumenten zelf.

5. Doel van het raamwerk

Het raamwerk heeft drie doelen. Ten eerste helpt het raamwerk om duidelijk in kaart te brengen hoe een instrument functioneert en juridisch is uitgewerkt, zodat een volledige en eenduidige beschrijving kan worden opgesteld.

Ten tweede maakt het inzichtelijk welke aspecten van zo’n instrument bijdragen aan een goede werking. Daarbij wordt gekeken naar de samenhang tussen drie aspecten: (1) hoe het instrument is ingericht en werkt, (2) welke doelen ermee worden nagestreefd, en (3) de context waarin het wordt gebruikt.

Tot slot zorgt het raamwerk voor een eenduidige aanpak en terminologie. Dat is nodig om de verschillende onderzoeken die in de komende fase binnen het DPS-programma zullen worden uitgevoerd op elkaar aan te laten sluiten, maar ook vergelijkbaar en navolgbaar te maken.9

6. Onderzoek en raamwerk toegankelijk ­gemaakt

De komende tijd willen wij met een serie van behapbare blogs en redactionele bijdragen het onderzoek en het raamwerk toegankelijk maken voor het brede publiek. We hopen hiermee de discussie in de sector over het onderzoek – en belangrijker nog – over de inrichting en effectiviteit van de instrumenten – op gang te brengen. Wij praten u graag bij over de opzet van het onderzoek, over wat effectieve samenwerking is, en over het raamwerk en de onderdelen daarvan. Ook delen we graag ‘de bijvangst’ – een aantal bijzondere inzichten die we hebben opgedaan tijdens het ontwikkelen van het raamwerk.

We nemen u mee en houden u graag op de hoogte van deze reis.10 Om niets te missen kunt u zich aanmelden voor de IBR nieuwsbrieven (zie onderaan deze pagina).

Voetnoten

  1. Malcolm Aalstein is visiting research fellow bij het Instituut voor Bouwrecht, werkzaam bij de gemeente Amsterdam als adviseur Markt & inkoop en als onafhankelijke zelfstandige werkzaam in conflictmanagement en mediation in de bouw. Natasja van Wijk – van Gilst is wetenschappelijk medewerker bij het Instituut voor Bouwrecht. ↩︎
  2. Samenwerking in de bouw juridisch operationaliseren: wat werkt (niet)? Een raamwerk voor onderzoek naar de werking en effectiviteit van juridisch geoperationaliseerde instrumenten die op samenwerking gericht gedrag van actoren bij een bouwproces zouden kunnen bevorderen, Den Haag IBR 2025 (versie september 2025), hierna: working paper. Zie ook par. 1.3 working paper. ↩︎
  3. Zie over dit onderzoeksproject par. 1.3 en par. 2.2 working paper. Zie ook www.ibr.nl/onderzoekskader-een-coherent-en-toekomstbestendig-stelsel-van-aanbestedings-en-juridisch-administratieve-kaders-voor-de-bouw/. ↩︎
  4. DPS is een van de drie deelprojecten van het onderzoekskader ‘Een coherent en toekomstbestendig stelsel van aanbestedings- en juridisch-administratieve kaders voor de bouw’. Zie over dit onderzoekskader www.ibr.nl/deelproject-i-het-juridisch-vormgeven-van-samenwerking-in-de-aanbestedings-en-contractfase-2/ en A.E. Chatzakis, ‘Het juridisch vormgeven van samenwerking in de aanbestedings- en contractfase. Verslag van het IBR-congres gehouden op 1 april 2022 te Utrecht’, TBR 2022/66, p. 444-457. ↩︎
  5. Zie par. 1.2 working paper voor een beschrijving van de uitgangspunten. ↩︎
  6. Zie par. 1.3 working paper. ↩︎
  7. Zie par. 2.2.6 working paper. ↩︎
  8. Zie par. 2.3 working paper. ↩︎
  9. Zie par. 3 working paper. ↩︎
  10. Deze bijdrage is de aftrap van een reeks blogs en bijdrages in Actualiteiten Bouwrecht die de komende tijd zullen verschijnen op www.ibr.nl en www.ibrtracker.nl. ↩︎

Gerelateerde blogs

Gerelateerde opleidingen

Gerelateerde publicaties