IBR > Podcasts > Afl. 63 – Jurisprudentie en actualiteiten omgevingsrecht (oktober 2025)

Instituut voor Bouwrecht de podcast

Introductie

In deze aflevering van de IBR podcast behandelen Fleur Onrust (SIX advocaten) en Daan Korsse (RNMW advocaten de meest opvallende actualiteiten en uitspraken op het gebied van stikstof, het natuurbeschermingsrecht, ruimtelijke ordening en handhaving.

Shownotes

Natuurbeschermingsrecht

  • Vz. ABRvS 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4906 (Feitelijk gestart? Als bedoeld in 18 december 2024 uitspraak (Rendac). Weigering handhavend optreden)
    Bij het besluit van 2 april 2025 heeft het college van gedeputeerde staten geweigerd om handhavend op te treden tegen het zonder natuurvergunning bouwen van de nieuwe stal. Volgens het college van gedeputeerde staten gaat het weliswaar om een situatie waarvoor, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923 (hierna: de Rendac-uitspraak), een natuurvergunning nodig is, maar tegelijkertijd om een geval waarvoor in die uitspraak (ov. 24.4) is voorzien in een overgangsperiode tot 1 januari 2030, waarbinnen niet handhavend kan worden opgetreden wegens het ontbreken van die vergunning. Daarbij is het college van gedeputeerde staten ervan uitgegaan dat de nieuwe stal niet leidt tot meer stikstofdepositie op een Natura 2000-gebied dan de bestaande stal, zodat op grond van de tot de Rendac-uitspraak geldende rechtspraak van de Afdeling over intern salderen geen natuurvergunning nodig was, en dat de activiteit in dit geval fysiek is gestart vóór 1 januari 2025 als bedoeld in de Rendac-uitspraak. (…) Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de activiteit in dit geval fysiek is gestart vóór 1 januari 2025. Op basis van de stukken is aannemelijk dat vóór die datum, na (aanvankelijk gedeeltelijke) sloop van de oude stal, onder meer een verharding is aangebracht ten behoeve van de nieuwe stal, met materieel dat emissie van stikstof heeft veroorzaakt. Bij de stikstofberekeningen voor het project is deze emissie ook meegenomen. Het realiseren van deze verharding was nodig voor de bouw van de nieuwe stal en heeft daarmee een onlosmakelijke samenhang, zodat het samen met die bouw het project vormt waarvoor een natuurvergunning nodig is. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4556, ov. 6.5. Er is, gelet hierop, geen grond om deze werkzaamheden buiten beschouwing te laten, zoals Dorp en Landschap en MOB betogen.
  • Rb. Gelderland 26 september 2025, ECLI:NL:RBGEL:2025:8026 (Art. 5.40 Ow Intrekking, natuurvergunning Gedeeltelijke intrekking natuurvergunning varkenshouderij)
    I.c. wordt geoordeeld dat de provincie op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet bevoegd was om de natuurvergunning in te trekken nu daar langer dan een jaar geen gebruik van is gemaakt. Geen misbruik van bevoegdheid. De provincie heeft de natuurvergunning in redelijkheid kunnen intrekken, omdat het hiervoor volgens vergelijkbare, vaste rechtspraak van de Afdeling al voldoende is dat de varkenshouderij niet aannemelijk heeft weten te maken dat hij deze alsnog binnen korte termijn zal benutten. Verwijzing naar ABRS 02-09-2020, ECLI:NL:RVS:2020:2110, r.o. 5.1 en ABRS 22-01-2025, ECLI:NL:RVS:2025:213, r.o. 17.1. De provincie kon daar op het moment van de intrekking in redelijkheid van uit gaan, nu het bedrijfsgebouw is verwoest, er op dat moment een nieuw bestemmingsplan in werking was getreden waarmee de intensieve veehouderij-functie is wegbestemd, de aanvraag van de varkenshouderij voor herbouw buiten behandeling is gelaten en de milieuvergunningen waren ingetrokken. De provincie heeft daarbij het algemene belang van het niet willen laten voortbestaan van onbenutte stikstofruimte zwaarder kunnen laten wegen dan het individuele belang van de varkenshouderij bij behoud van de natuurvergunning als referentiesituatie in andere procedures. De door de varkenshouderij verlangde specifieke onderbouwing van de noodzaak voor de instandhoudingsdoelstellingen per Natura 2000-gebied is bij het toepassen van de intrekkingsbevoegdheid op grond van artikel 5.40, tweede lid, onder b, van de Omgevingswet niet aan de orde.
  • Rb. Oost-Brabant 17 september 2025, ECLI:NL:RBOBR:2025:5789 (Wnb, stikstof, referentiesituatie, passende maatregel. Handhavingsverzoek, voortzetting één-en-hetzelfde project)
    Afwijzing handhavingsverzoek en verzoek treffen passende maatregelen met betrekking tot drainage onder landingsbanen op voormalige luchtmachtbasis. I.c. wordt geoordeeld dat geen natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7 van de Wnb en artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet is vereist. Dat betekent dat geen sprake is van een overtreding van deze bepalingen. De Staatssecretaris was dan ook niet bevoegd om tot handhaving over te gaan. De weigering om passende maatregelen te nemen is onvoldoende gemotiveerd.
    Is een natuurvergunning nodig voor de drainage en het gemaal? […] 7.3. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is in de uitspraak van 18 december 20241 onder meer ingegaan op de referentiesituatie. […] 7.4. Naar het oordeel van de rechtbank kan een referentiesituatie nog steeds worden ontleend aan een milieutoestemming als wordt voldaan aan de door de Afdeling gestelde randvoorwaarden, ongeacht de aard van de gevolgen van deze milieutoestemming. Met andere woorden, het maakt niet uit of het gevolg een stikstofdepositie betreft of een effect op de (grond)waterstand. Het is dus in beginsel mogelijk dat voor de drainage een referentiesituatie aan de Hinderwetvergunning wordt ontleend. 7.5. […] De rechtbank is van oordeel dat de drainage en het gemaal zijn vergund in de Hinderwetvergunning en vervolgens ook in de revisievergunning uit 2009. De revisievergunning omvat immers de gehele inrichting, inclusief de drainage en het gemaal. De rechtbank is niet gebleken dat het gemaal en de drainage niet structureel in gebruik zijn. Dat in de referentiesituatie geen expliciete beperkingen zijn gesteld aan de capaciteit van het gemaal dan wel de hoeveelheid water die door een drainage wordt onttrokken en vervolgens met het gemaal wordt geloosd op het oppervlaktewater, geeft geen aanleiding voor een ander oordeel.
    De rechtbank beschouwt de vervanging van de opvoerpompen in 2020 als een voortzetting van een bestaand project. De vergunde drainage en het vergunde gemaal zijn al sinds de aanlegfase in gebruik. De locatie van het gemaal en de drainage zijn niet verplaatst. Ook na de vervanging van de pompen is de drainage ongewijzigd voortgezet en hebben geen wijzigingen in het doel van de drainage, het drainagesysteem of het gemaal plaatsgevonden. Er zijn geen wijzigingen aangebracht in de werking van het gemaal, het gemaal treedt in werking bij een bepaalde grondwaterstand. Het doel is nog steeds om het grondwaterpeil onder de start- en rolbaan 1 meter tot 0,30 cm onder het maaiveld te houden. In zoverre is sprake van een vos verleend. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat Defensie onweersproken heeft gesteld dat er nu drie pompen zijn geplaatst met een lagere maximale pompcapaciteit. De enkele vervanging van een onderdeel van het gemaal door een moderner onderdeel is geen relevante wijziging. Dat betekent dat wat betreft de drainage en het gemaal nog steeds sprake is van de voortzetting van één-en-hetzelfde project ten opzichte van het project waarvoor de Hinderwetvergunning is verleend. Daaruit volgt dat geen natuurvergunning nodig is voor de drainage, het gemaal en de zich daarin bevindende pompen. De rechtbank vindt steun voor dit oordeel in de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025.. De rechtbank concludeert dat voor de drainage onder de start- en rolbaan geen natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7 van de Wnb en artikel 5.1, eerste lid onder e, van de Omgevingswet is vereist. Dat betekent dat geen sprake is van een overtreding van deze bepalingen. De Staatssecretaris was dan ook niet bevoegd om tot handhaving over te gaan. Moeten er passende maatregelen worden getroffen? […] 8.3. De aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb biedt een grondslag voor een algemeen verbindend voorschrift (zoals een provinciale omgevingsverordening), maar kan ook in individuele gevallen worden gebruikt. De rechtbank oordeelde in de uitspraak van 20 november 20244 dat artikel 2.4 van de Wnb geen grondslag biedt om een omgevingsvergunning in te trekken. De mogelijkheden om een omgevingsvergunning in te trekken, staan limitatief genoemd in artikel 2.33 van de Wabo. Op grond van de Wnb kunnen omgevingsvergunningen niet worden ingetrokken. Artikel 2.4, vierde lid, van de Wnb biedt wel een brede bevoegdheid om een individueel bedrijf te verplichten om het uitoefenen van een activiteit te staken of niet uit te voeren. Dit kan betekenen dat de uitoefening van een activiteit die op grond van een andere wettelijke toestemming zoals een omgevingsvergunning is toegestaan, moet worden gestaakt, ook al blijft de omgevingsvergunning dan wel ongewijzigd bestaan. Met andere woorden: het kan betekenen dat geen volledig gebruik mag worden gemaakt van de geldende omgevingsvergunning en dat beperkingen worden gesteld aan het gebruik van het gemaal. De rechtbank merkt in dit kader ook op dat artikel 2.4, derde lid, van de Wnb ook de minder verdergaande bevoegdheid geeft om handelingen slechts uit te voeren overeenkomstig de gegeven voorschriften. De Staatssecretaris was op grond van artikel 1.3, vijfde lid, van de Wnb bevoegd om gebruik te maken van de aanschrijvingsbevoegdheid in artikel 2.4 van de Wnb. 8.4. De Staatssecretaris is onder de Omgevingswet op grond van artikel 11.4 van het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal), in combinatie met 4.12, tweede lid, onder 3 en 4 van het Omgevingsbesluit het bevoegd gezag om maatwerkvoorschriften als bedoeld in artikel 11.9, in combinatie met 11.6 van het Bal te stellen in individuele gevallen. Artikel 11.9 van het Bal geeft de bevoegdheid maatwerkvoorschriften op te leggen ter invulling van de in artikel 11.6 opgenomen zorgplicht. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen hierbij ook minder verstrekkende voorschriften worden opgenomen over een minimale grondwaterstand en monitoring van de hoeveelheid water die wordt geloosd teneinde meer informatie te verkrijgen over de effecten van de drainage 8.5. Het meest verstrekkende verweer van de Staatssecretaris is dat artikel 2.4 van de Wnb geen bevoegdheid zou bieden om op verzoek van een derde individuele bedrijven aan te schrijven. De rechtbank is het hier niet mee eens. Het intrekken van een natuurvergunning kan namelijk onderdeel uitmaken van een pakket aan passende maatregelen die er samen voor zorgen dat een verslechtering wordt voorkomen. Het college kan bij deze afweging ook de mogelijkheid betrekken om andere natuurvergunningen bij wijze van passende maatregel in te trekken, zodat bij een besluit tot intrekking van een natuurvergunning niet doorslaggevend is of dat op verzoek of ambtshalve is gedaan. Steun voor dit oordeel vindt de rechtbank in rechtsoverweging 6 van de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 20256. […] 8.7. De rechtbank zal de rechtmatigheid van het bestreden besluit beoordelen met inachtneming van de rechtspraak van de Afdeling, zoals deze is uiteengezet in de uitspraken van 20 januari 20217, 18 december 20248 en 2 juli 20259. […] […] 8.12. De rechtbank concludeert dat de Staatssecretaris met de verwijzing naar het LESA-rapport onvoldoende heeft onderbouwd dat met andere passende maatregelen die worden genoemd in het rapport, alsmede met de andere maatregel met betrekking tot de beregening van agrarische percelen de (dreigende) verslechtering van de betrokken habitattypes in voldoende mate wordt tegengegaan. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat de Staatssecretaris met de enkele verwijzing naar het LESA-rapport niet inzichtelijk heeft gemaakt of andere passende maatregelen worden getroffen binnen afzienbare termijn en wanneer die passende maatregelen worden getroffen. In zoverre is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd. […]
  • Rb. Midden-Nederland, 10 september 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:4891 (Handhaving, PAS-melder, standaardonderdeel, voortoets of passende beoordeling. Afwijzing handhavingsverzoek uitbreiding vleesverwerkingsbedrijf. Nieuwe beslissing op bezwaar na vernietiging)
    I.c. wordt geoordeeld dat gedeputeerde staten zich op basis van de voortoets op het standpunt hebben kunnen stellen dat op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat significante gevolgen kunnen optreden door de depositie van stikstof als gevolg van activiteiten van derde-partij. Dit betekent dat het bedrijf geen natuurvergunning nodig heeft en geen sprake is van een overtreding van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb.
    I.c. wordt geoordeeld dat de luchtwasser als standaardonderdeel van het project gezien moet worden. Het gaat hier om een stal met RAVcode D3.2.15.4 en daarbij is de luchtwasser verplicht. In deze zaak mocht, gelet op de bedrijfsspecifieke situatie bij derde-partij en de uitgevoerde metingen in de voortoets, wel uitgegaan worden van een emissiereductie van 85%.
    In de voortoets is niet gekeken naar cumulatie-effecten met andere projecten. Motiveringsgebrek wordt gepasseerd. De deposities van de PAS-melders behoeven niet in cumulatietoets betrokken te worden, omdat deze dan dubbel zouden worden geteld. De activiteiten van PAS-melders zijn immers al gerealiseerd en de deposities worden daardoor bij de AERIUS-berekening in de achtgrondwaarden meegenomen.
  • CBb 14 oktober 2025, ECLI:NL:CBB:2025:549 (College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb). Art. 6 Habitatrichtlijn, art 75 lid 1 Gewasbeschermingsverordening, Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb) Wet natuurbescherming (Wnb) Toelating aantal gewasbeschermingsmiddelen op basis van glyfosaat)
    Het College ziet in de gewasbeschermingsverordening geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het Ctgb naast de toetsing van de daarin neergelegde criteria ook artikel 6 van de Habitatrichtlijn moet toepassen. De bepalingen uit artikel 6 van de Habitatrichtlijn zijn geïmplementeerd in de tot 1 januari 2024 geldende Wnb (en per 1 januari 2024 in de Omgevingswet). In deze regelgeving zijn gedeputeerde staten het bevoegde gezag, en niet het Ctgb. De toets die het Ctgb aanlegt voor aanvragen om toelating van een gewasbeschermingsmiddel is ook een andere toets dan de toets in het kader van de Wnb. Verwijzing naar ABRS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1428.
  • Rb. Midden-Nederland, 17 oktober 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:5443 (Burgemeester van de gemeente Gooise Meren en college van B&W van de gemeente Gooise Meren. Omgevingswet 1.1 lid 1, bijlage onderdeel A, 5.1 eerste lid aanhef en onder a Omgevingsplan gemeente Gooise Meren Algemene Plaatselijke Verordening (APV) OMGEVINGSWET. APV. HANDHAVING. OVERTREDER. Last onder dwangsom vanwege exploitatie seksbedrijf in woning. Functioneel daderschap. Verwijzing naar ABRvS 31-05- 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2071 en ABRS 24-01-2024, ECLI:NL:RVS:2024:267)
    I.c. wordt geoordeeld dat verweerders onvoldoende hebben onderbouwd dat eisers (eigenaren woning) onvoldoende toezicht hebben gehouden op het gebruik van de woning. Eisers hebben de overtreding niet aanvaard en kunnen niet worden aangemerkt als overtreders. […] Zijn eisers als eigenaren van het appartement aan te merken als overtreders? […] 22. Partijen zijn met name verdeeld over de vraag of eisers de overtredingen hebben aanvaard, door – onder meer – onvoldoende toezicht te houden op de woning. Om die vraag te kunnen beantwoorden, gaat de rechtbank eerst in op de duur van het illegale gebruik. Verweerders vinden het op basis van het bevindingenrapport aannemelijk dat het appartement al langere tijd – sinds juni 2023 – door verschillende sekswerkers werd gebruikt. In het bevindingenrapport staat dat er vanaf juni 2023 al meerdere meldingen zijn binnengekomen bij het prostitutieteam van de gemeente Hilversum, waarbij het adres [adres] werd genoemd. Waar, wanneer en door wie of op welke wijze deze meldingen zijn gedaan, is niet inzichtelijk. Dit is onder meer relevant omdat eisers de woning sinds 19 juni 2023 verhuurden, en daarmee niet duidelijk is of op het moment dat de meldingen zijn gedaan de woning reeds verhuurd was, waar verweerders kennelijk wél van uitgaan. Ook is niet inzichtelijk gemaakt dat er in juni 2023 op het adres daadwerkelijk afspraken hebben plaatsgevonden voor betaalde seks. Dit maakt dat verweerders hun conclusie “dat de woning sinds juni 2023 voor sekswerk werd gebruikt” niet zonder meer op dit bevindingenrapport konden baseren. Van nader onderzoek naar de feiten en omstandigheden die aan deze bevindingen in het rapport ten grondslag liggen, is niet gebleken of inzichtelijk gemaakt. Dit betekent dat de rechtbank verweerders niet kan volgen in de conclusie dat de woning “langere tijd voor sekswerk” werd gebruikt, maar uitgaat van de periode van 13 oktober 2023 (datum van de melding) tot 31 oktober 2023 (datum van de controle in de woning). 23. Bij de beantwoording van de vraag of eisers voldoende toezicht hebben gehouden, betrekt de rechtbank dat het appartement nog niet zo lang door de nieuwe huurders – een echtpaar met een jong kind – werd gebruikt. In de zomermaanden waren de huurders vanwege privéomstandigheden in het buitenland, waarvan eisers ook Whatsapp-berichten hebben overgelegd. Op de zitting heeft de rechtbank het beeld gekregen van een actieve verhuurder. Eisers verhuren ook andere appartementen in het gebouw en zij hebben regelmatig contact met de huurders. Ook zijn zij regelmatig in het gebouw en wordt actie ondernomen als er bijzonderheden zijn, zoals ook blijkt uit de Whatsapp-berichten op het moment dat er problemen zijn met de deurcode. Zo beschrijven zij verder de situatie dat in het gebouw een rooklucht werd waargenomen, waarna bij de woning is aangebeld en de huurder erop is geattendeerd dat binnen niet gerookt mag worden. Dat eisers niet geregistreerd hebben hoe vaak zij in het gebouw zijn geweest, zoals verweerders naar voren brengen, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat eisers onvoldoende invulling hebben gegeven aan hun taak om als verhuurder toezicht te houden. De rechtbank overweegt verder dat het illegale gebruik een betrekkelijk korte periode betrof en dat eisers in die periode geen klachten hebben ontvangen en de buren geen verdachte activiteiten hebben opgemerkt. Uit de stukken blijkt ook dat in het appartement tevens werd gewoond. Verweerders werpen eisers tegen dat niet gecontroleerd is of de huurders op het adres stonden ingeschreven, dat de deurcode al lange tijd hetzelfde is en dat een verouderde versie van een modelhuurovereenkomst van de raad voor Onroerende Zaken is gebruikt. Hoewel aan deze omstandigheden gewicht toe komt bij de aanvaardingsvraag, leiden deze in dit specifieke geval niet tot het oordeel dat eisers daarmee het illegale gebruik hebben aanvaard. 24. Dit alles brengt de rechtbank tot het oordeel dat verweerders onvoldoende hebben onderbouwd dat eisers onvoldoende toezicht hebben gehouden op het gebruik van de woning. Eisers hebben de overtreding dus niet aanvaard en kunnen niet worden aangemerkt als overtreders. […]

Stikstof en MER

  • ABRvS 22 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5090
    Deze hoger beroepsgrond slaagt niet. Daarvoor is het volgende van belang. In overweging 32.5 van de PAS-uitspraak heeft de Afdeling geoordeeld dat de passende beoordeling die ten grondslag ligt aan het PAS niet voldoet aan de eisen die het Hof van Justitie van de Europese Unie stelt aan een passende beoordeling. In overweging 32.6 van die uitspraak is overwogen dat een vergunning voor een activiteit die stikstofdepositie veroorzaakt op een Natura 2000-gebied dat in het PAS opgenomen is, niet kon worden verleend onder verwijzing naar de passende beoordeling die voor het PAS is gemaakt.
    De natuurvergunning van 1 mei 2019 is verleend op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb. De natuurvergunning is verleend op basis van een passende beoordeling waarmee de zekerheid is verkregen dat het project de natuurlijke kenmerken van de betreffende Natura 2000-gebieden niet aantast.
    In tabel 1 en 3 van de natuurvergunning staat dat uit de AERIUS-berekeningen blijkt dat sprake is van een toename van stikstofdepositie. Daarom heeft het college ontwikkelingsruimte uit het PAS toebedeeld op grond van artikel 2.7 van het Besluit natuurbescherming. Bij de natuurvergunning zit een uitdraai van 21 februari 2019 van AERIUS Register waaruit blijkt dat ontwikkelingsruimte is gereserveerd. Voor de passende beoordeling is verwezen naar de passende beoordeling van het PAS.
    Het bovenstaande betekent dat de PAS-vergunning is verleend in strijd met wettelijke voorschriften. Het college heeft ten onrechte de vergunning verleend op grond van artikel 2.7, derde lid en onder a, van de Wnb met verwijzing naar de passende beoordeling van het PAS, terwijl uit die passende beoordeling niet de zekerheid kon worden verkregen dat de activiteiten niet leiden tot aantasting van de natuurlijke kenmerken van die Natura 2000-gebieden. De PAS-vergunning is dus verleend in strijd met de destijds geldende wettelijke voorschriften, in dit geval artikel 2.7, tweede lid, in samenhang met artikel 2.7, derde lid onder a, van de Wnb. De rechtbank is terecht ook tot dit oordeel gekomen, zij het op andere gronden. Uit het vorenstaande volgt dat de intrekkingsgrondslag van artikel 5.4, eerste lid en onder c, van toepassing is.
    Gelet op het bovenstaande behoeft de hoger beroepsgrond van het college over de gevolgen van het onverbindend verklaren van delen van de regelgeving van het PAS geen bespreking. De PAS-vergunning is niet om die reden in strijd met de wet verleend, maar omdat een vergunning is verleend met verwijzing naar een passende beoordeling waaruit niet de zekerheid kon worden verkregen dat de natuurlijke kenmerken van het betreffende Natura 2000-gebied niet worden aangetast. (…)
    De Afdeling stelt voorop dat de PAS-vergunning in rechte onaantastbaar is. In de voorliggende zaak gaat het over mogelijke intrekking van deze vergunning. De Afdeling acht het te verstrekkend om het bestaand recht van [vergunninghouder] te beperken door het gebruik van de PAS-vergunning niet toe te staan in afwachting van een nieuw besluit op bezwaar over een intrekkingsverzoek. Daarbij betrekt de Afdeling dat het besluit op het intrekkingsverzoek ook kan inhouden dat de PAS-vergunning gedeeltelijk wordt ingetrokken of gewijzigd, of dat intrekking of wijziging niet nodig is. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen reden om op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Awb een voorlopige voorziening te treffen.
  • ABRvS 29 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5189
    Naar het oordeel van de Afdeling kan in dit geval echter niet worden gesproken van de uitbreiding van een windturbinepark in de zin van de bijlage bij het Besluit mer. Daarvoor is van belang dat de beide initiatieven door verschillende eigenaren/initiatiefnemers worden uitgevoerd en dat zij over en weer geen zeggenschap hebben over elkaars initiatief. Het windpark Eemshaven-West wordt ontwikkeld door Vattenfall, Drei Meulen Wind B.V. en ‘Energie Coöperatie Oudeschip en Omstreken’ (ECOO). Wintermolen B.V. is hierbij geen partij. In dit licht is het onaannemelijk dat, al zou Wintermolen B.V. de gevraagde windturbines mogen realiseren, de beide windinitiatieven technische bindingen met elkaar zouden krijgen. Ook geldt dat de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de aanvraag van Wintermolen B.V. andere zijn dan de onderzoeken die ten grondslag liggen aan de realisatie van windpark Eemshaven-West. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen, recentelijk nog in de uitspraak van 24 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4560, onder 8.1, is de enkele omstandigheid dat de twee windturbines in de nabijheid van een ander windturbinepark of andere windturbines worden geplaatst, onvoldoende om tot een ander oordeel komen. Dat het de kennelijke bedoeling van Wintermolen B.V. is om de windturbines qua opstelling te laten aansluiten op het windpark Eemshaven-West leidt evenmin tot de conclusie dat hier moet worden gesproken van één windturbinepark of een wijziging of een uitbreiding daarvan.
    Gelet op het vorenstaande is de conclusie dat het windinitiatief van Wintermolen B.V. niet besluit-mer-plichtig is. Om die reden heeft het college de aanvraag ten onrechte met toepassing van artikel 7.28, eerste lid, onder a, van de Wm buiten behandeling gesteld.

Omgevingsrecht

  • ABRvS 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5333
    Zoals in het constateringsrapport van 14 november 2023 is vastgesteld, staan de niet gesloopte buitenmuren op de erfgrens met de buren van Kastanjelaan 30 en Lindenlaan 60. [appellante] heeft het college binnen de begunstigingstermijn bij e-mailbericht van 14 augustus 2023 laten weten dat bij de uitvoering van de last is gebleken dat de buren geen toestemming willen geven voor de sloop van de mandelige muren en dat zij de last daarom niet volledig kan uitvoeren. Zij heeft het college verzocht om mee te denken over een oplossing daarvoor. Dat de buren als mede-eigenaar geen toestemming geven voor het afbreken van de buitenmuren blijkt ook uit de mailwisseling daarover van de buren met het college in september 2023.
    Het college is in het invorderingsbesluit niet ingegaan op de door [appellante] in de zienswijze herhaalde onmogelijkheid om aan de last te voldoen, omdat [appellante] dit volgens het college tegen de last had kunnen inbrengen.
    Aangezien de onmogelijkheid om de last uit te voeren pas bij de uitvoering van de last is gebleken, kan het [appellante] echter redelijkerwijs niet worden tegengeworpen dat zij dit niet al tegen de opgelegde last heeft aangevoerd. Het college heeft niet bestreden dat de buitenmuren mandelig zijn en de buren geen toestemming willen geven voor het afbreken ervan, maar heeft zich op het standpunt gesteld dat dit een privaatrechtelijke kwestie tussen [appellante] en de buren is waar het college niet in kan treden. Daarmee heeft het college echter miskend dat de eigendomssituatie van de buitenmuren aan de uitvoerbaarheid van de last in de weg kan staan en dit een bijzondere omstandigheid kan zijn op grond waarvan het college van invordering had behoren af te zien. Het had dan ook op de weg van het college gelegen om te onderzoeken of daarvan in dit geval sprake is, zoals [appellante] stelt. Door dat niet te doen is het besluit niet met de benodigde zorgvuldigheid tot stand gekomen. Het besluit moet daarom worden vernietigd.
  • ABRvS 15 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4911
    Uit de zogenoemde Tegelen-jurisprudentie, die is neergelegd in de uitspraak van 21 december 1999 in zaak nr. H01.99.0245 (AB 2000, 78) en die ook onder de Wabo geldt, volgt dat door de vernietiging van een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan de rechtsgevolgen van de op basis van dat plan verleende omgevingsvergunningen voor bouwen niet ongedaan worden gemaakt. Zolang het bestemmingsplan in werking is, geldt dit als het toetsingskader voor het te nemen besluit op bezwaar. Indien het besluit op bezwaar onder vigeur van het nieuwe plan is genomen, dient daarop in beroep en hoger beroep bij de bestuursrechter niet te worden teruggekomen.
    Uit deze rechtspraak volgt voorts dat indien na de inwerkingtreding van het nieuwe – nog niet in rechte onaantastbare – bestemmingsplan een aanvraag om een omgevingsvergunning voor bouwen wordt ingediend of ingewilligd, aan een belanghebbende die tegen die omgevingsvergunning opkomt een behoorlijke en praktisch bruikbare mogelijkheid moet worden geboden om het nieuwe bestemmingsplan alsnog door de voorzieningenrechter van de Afdeling buiten werking te doen stellen. Indien de bedoelde belanghebbende tegelijk met de indiening van het bezwaarschrift tegen de omgevingsvergunning bij het college een verzoek om schorsing van het nieuwe bestemmingsplan indient bij de voorzieningenrechter, ligt het in de rede dat het college niet op het bezwaar beslist alvorens de voorzieningenrechter zich over de gevraagde schorsing heeft uitgesproken. Schorst de voorzieningenrechter (alsnog) het besluit, dan geldt bij het besluit op bezwaar het oude plan als toetsingskader. Is het besluit op bezwaar reeds genomen, dan zal de bestuursrechter in dit geval – anders dan in het algemeen – toch aan het oude plan moeten toetsen.
    In dit geval heeft het college bij besluit van 13 januari 2025, dus vóór de uitspraak van de voorzieningenrechter op het verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening met betrekking tot het bestemmingsplan, een besluit genomen op het bezwaar van [verzoeker] tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning voor bouw. Nu [verzoeker] enkele dagen na het indienen van een (pro forma) bezwaarschrift tegen die vergunning een verzoek om schorsing van het bestemmingsplan heeft ingediend, waarmee hij beoogde te voorkomen dat het college aan een bestemmingsplan toetst dat wel in werking is getreden maar nog niet onherroepelijk is geworden, lag het naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter op de weg van het college om de behandeling van dat verzoek af te wachten, alvorens een besluit op het bezwaar tegen de omgevingsvergunning te nemen. De voorzieningenrechter betrekt hierbij dat het college, nog voordat er een inhoudelijk bezwaarschrift was ingediend, op de hoogte was van het schorsingsverzoek. Het college was er ook van op de hoogte dat dat verzoek binnen afzienbare termijn, namelijk op 16 januari 2025, bij de voorzieningenrechter zou worden behandeld. Dit is blijkens de stukken ook aan de orde gekomen tijdens de mondelinge behandeling van het bezwaar van [verzoeker] bij de Commissie rechtsbescherming Meierijstad op 8 januari 2025. Desondanks heeft de commissie op maandagochtend 13 januari 2025 schriftelijk advies aan het college uitgebracht over het bezwaar van [verzoeker] tegen de omgevingsvergunning en heeft het college nog diezelfde ochtend op het bezwaar beslist en de beslissing verzonden. De voorzieningenrechter is van oordeel dat door deze handelswijze de rechtsbescherming van de belanghebbende die tegen de omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wil opkomen, in het gedrang komt.

Gerelateerde opleidingen