IBR > Podcasts > Afl. 67 – Jurisprudentie en actualiteiten omgevingsrecht (maart en april 2026)

Instituut voor Bouwrecht de podcast

Introductie

In deze aflevering van de IBR podcast behandelen Fleur Onrust (SIX advocaten) en Daan Korsse (RNMW advocaten) de meest opvallende actualiteiten en uitspraken op het gebied van stikstof, het natuurbeschermingsrecht, ruimtelijke ordening en handhaving.

Shownotes

Jurisprudentie

  • ABRvS 18 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1543 (Bestemmingsplan. Additionaliteitsvereiste bij intern en extern salderen in de passende beoordeling bij bestemminsgplannen)
    De Afdeling herhaalt nog eens dat de raad zich ervan moet vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag het beperken of beëindigen van de referentiesituatie nodig acht als instandhoudings of passende maatregel. Deze vergewisplicht geldt voor zowel intern als extern salderen. r.o. 16.9
  • ABRvS 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1953 (Wet natuurbescherming. Gedeeltelijke intrekking van een PAS-vergunning als passende maatregel ten behoeve van het Natura 2000-gebied Lieftinghsbroek; Gedeeltelijke intrekking als passende maatregel is mogelijk. Niet vereist is dat de depositie een bepaalde omvang heeft; voldoende is dat de vergunde activiteit effecten heeft op overbelaste natuurwaarden.)
    Het college heeft met de gedeeltelijke intrekking, de notitie van 15 januari 2026 en de toelichting ter zitting voldoende onderbouwd dat verdere intrekking niet nodig is als passende maatregel. Herstel van reeds opgetreden verslechtering vergt herstelmaatregelen op het vlak van hydrologie en bodemaccumulatie. De KDW is geen absolute grenswaarde maar een indicator. Anders dan onder artikel 6 lid 3 Hrl is niet vereist dat met zekerheid vaststaat dat de te treffen maatregelen worden uitgevoerd. r.o. 28 en 29 (additionaliteit, borging maatregelen)
  • ABRvS 1 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1842 (Bestemmingsplan verplaatsing transportbedrijf. Emissieloze verwarming van bedrijfsgebouwen en uitsluitend gebruik van elektrische heftrucks is geen gangbare bedrijfsvoering en dus geen reëel en aannemelijk uitgangspunt)
    Gemachtigde heeft op zitting verklaard dat bedrijfsgebouwen emissieloos worden verwarmd en dat uitsluitend elektrische heftrucks worden gebruikt, maar niet is onderbouwd dat dit een gangbare bedrijfsvoering is; dit uitgangspunt is daarom niet reîl en aannemelijk en moet in het bestemmingsplan worden geborgd.
  • ABRvS 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2076 (Wet natuurbescherming. Reikwijdte van artikel 9.4 lid 8 Wnb (oude toestemmingsbesluiten als passende beoordeling). De Afdeling toetst of überhaupt aan de Habitatrichtlijn is getoetst; niet of die toetsing kwalitatief voldoende was. Als aan de Hrl niet is getoetst, valt de toestemming niet onder de werking van art. 9.4 lid 8 Wnb en is een nieuwe passende beoordeling nodig)
    Uit de tekst van de milieuvergunning van 27 maart 2008 kan niet worden afgeleid dat daarbij is getoetst aan artikel 6, tweede, derde en vierde lid, van de Habitatrichtlijn; de Afdeling toetst alleen of aan de Hrl is getoetst, niet of dat voldoende is gedaan. Nu die toetsing ontbreekt valt de milieuvergunning niet onder de werking van art. 9.4 lid 8 Wnb en is een nieuwe passende beoordeling nodig.
  • Rb. Gelderland 16 april 2026 (Vijf samenhangende uitspraken. Luchthavens Rotterdam Airport, Eindhoven Airport en Lelystad Airport; Handhavingsverzoeken en natuurvergunningen)
    Een en hetzelfde project: de aanvraag is een wezenlijke wijziging van het project zoals toegestaan in het Luchthavenbesluit 2014. De referentie in het Luchthavenbesluit 2014 is dynamisch (geluidcontour), de aanvraag is statisch (aantal vliegtuigbewegingen). Geen continuïteit en identiteit van de voorwaarden waaronder de activiteiten worden uitgevoerd. r.o. 8.11. Ook omgevingsvergunningen van 25 maart 2015 en 3 juni 2015 en de latere parkeergarage kwalificeren als wijziging van het project: r.o. 8.12. zijn nu niet meegenomen in project. De aanvraag voor Rotterdam Airport ziet niet op het hele project (parkeerplaatsen ontbreken). Blijkens het stikstofdocument van april 2024 is een parkeergarage gerealiseerd op het terrein; deze valt onder het project. Zie over deze cumulatie r.o. 8.12.
    Artikel 9.4 lid 8 Wnb komt aan de orde in verband met eerdere toestemmingen. De rechtbank toetst alleen of aan de Hrl is getoetst, niet of dat voldoende is gedaan.
    Milieutoestemming niet geëxpireerd. De referentiesituatie kan niet worden ontleend aan een natuurvergunning of milieutoestemming die is vervallen of geëxpireerd. r.o. 6.2.
    Maatwerkvoorschriften. De rechtbank vernietigt de maatwerkvoorschriften. De minister had deze bevoegdheid alleen als de activiteiten op de luchthavens niet gereguleerd konden worden met een natuurvergunning, maar dat kan wel. Maatwerk op grond van art. 11.4 en 11.9 lid 3 Bal is in strijd met art. 11.9 lid 3 Bal als over dat onderwerp een voorschrift aan een omgevingsvergunning kan worden verbonden. r.o. 10.6 (ECLI:NL:RBGEL:2026:2969).
    Handhaving: de rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende gewicht heeft toegekend aan het feit dat inmiddels 2,5 jaar was verstreken zonder definitieve natuurvergunning. Zie de belangenafweging in r.o. 8.3 van ECLI:NL:RBGEL:2026:2964.
    Rotterdam Airport handhavingsverzoek
    Eindhoven Airport natuurvergunning en maatwerkvoorschrift
    Luchthaven Rotterdam
    Luchthaven Rotterdam
    ECLI:NL:RBGEL:2026:2970
  • Rb. Den Haag 27 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7185 (Omgevingswet. Zorgplicht. Afwijzing handhavingsverzoek over een schuur wegens vocht en geluidsoverlast in de woning)
    De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van overtreding van het Bbl. Bij het ontbreken van een meer specifieke regel en als sprake is van onmiskenbare strijd met een algemene zorgplicht, kan op grondslag van die algemene zorgplicht (art. 1.6 tot 1.8 Ow) handhavend worden opgetreden. Het college heeft niet onderzocht of die situatie zich voordoet: het bestreden besluit is niet zorgvuldig voorbereid en niet draagkrachtig gemotiveerd. Instandlating rechtsgevolgen, want of de schuur daadwerkelijk tot schade heeft geleid of zal leiden vergt nader onderzoek, reeds daarom is van onmiskenbare strijd met de algemene zorgplichten geen sprake.
  • Rb. Noord-Nederland 30 maart 2026, ECLI:NL:RBNNE:2026:1051 (Handhavingsverzoek rond gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt in de gemeente Westerveld)
    De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende heeft onderzocht of sprake is van een overtreding van artikel 2.11 van het Bal. De rechtbank overweegt dat uit het bestreden besluit en de onderliggende gedingstukken in de eerste plaats niet blijkt dat het college in beeld heeft gebracht welke gewasbeschermingsmiddelen door telers op de percelen is gebruikt waarop het handhavingsverzoek betrekking heeft. Verder is door het college niet inzichtelijk gemaakt in welke mate en met welke frequentie de telers op de genoemde percelen gewasbeschermingsmiddelen spuiten, met welke spuitsnelheid wordt gespoten en met welke combinatie van gewasbeschermingsmiddelen per perceel wordt gespoten. Ook is niet onderzocht wat de afstand van die percelen tot de dichtstbij gelegen kwetsbare objecten is. Daarnaast is door het college niet inzichtelijk gemaakt of en wat het effect is van de cumulatie van gewasbeschermingsmiddelen van dicht bij elkaar gelegen percelen waarop gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt bij sierteelt in de open lucht. Naar het oordeel van de rechtbank had het college deze gegevens in de eerste plaats bij de telers kunnen opvragen. Weliswaar heeft de gemachtigde van het college ter zitting aangegeven dat toezichthouders van de gemeente de spuitmonitoringsgegevens van de telers hebben ingezien tijdens controlebezoeken, maar de bevindingen van de toezichthouders zijn naar het oordeel van de rechtbank niet inzichtelijk gemaakt. Verder zijn de bevindingen niet neergelegd in een voor de rechtbank en voor de andere partijen kenbare rapportage. Ook is niet duidelijk wanneer deze controles hebben plaatsgevonden. Gelet hierop kan aan deze verklaring ter zitting niet de waarde worden toegekend die het college eraan gehecht wenst te zien.
    r.o. 13.4 Door het nalaten van onderzoek, gericht op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per genoemd perceel door de telers, heeft het college naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet kunnen vaststellen of er van een overtreding van de specifieke zorgplicht van artikel 2.11 van het Bal sprake is. Het college heeft onvoldoende kennis vergaard om dat te kunnen beoordelen. Het standpunt van het college dat onderzoek achterwege kon blijven omdat om een algemeen verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zou zijn gevraagd, leidt niet tot een ander oordeel. De rechtbank overweegt dat voordat toegekomen kan worden aan de vragen of en op welke wijze handhavend opgetreden kan worden, eerst moet worden beoordeeld of sprake is van een overtreding. Dit brengt met zich dat het bestreden besluit in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel tot stand is gekomen. Deze grond van eiseressen slaagt.
  • ABRvS 8 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1929 (Overwegingen over de uitleg van het begrip “bezoekers” in art. 2:29 APV en het openbare karakter van activiteiten als maatstaf)
    De Afdeling volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat de burgemeester de dwangsom niet mocht invorderen. De openings- en sluitingstijden, zoals geregeld in artikel 2:29 van de APV, welke bepaling deel uitmaakt van het hoofdstuk Openbare orde, zijn, mede gelet op de toelichting daarbij, gericht op het reguleren van activiteiten met een openbaar karakter, die een weerslag kunnen hebben op de openbare orde en waarvan een (nadelige) invloed kan uitgaan op de omgeving. Activiteiten vanuit de inrichting met een openbaar karakter zijn daarom na sluitingstijd niet toegestaan. Ook personeelsleden die na hun dienst op het terras aanwezig zijn om met elkaar nog wat te drinken kunnen (geluids-) overlast veroorzaken op eenzelfde wijze als bezoekers die na sluitingstijd aanwezig zijn. Dat geldt dus ook voor de op 22 augustus 2023 op het terras aangetroffen personen. Met de bepaling over de sluitingstijden van het terras in de APV en de daarop door de burgemeester gebaseerde last onder dwangsom is nu juist beoogd om overlast en een aantasting van de woon- en leefsituatie na sluitingstijd te voorkomen. De burgemeester stelt verder terecht dat de personeelsleden van [wederpartij] die ruim na sluitingstijd op het terras zijn aangetroffen onder het nuttigen van alcohol, terwijl zij geen dienst meer hadden, op het terras verbleven in hun vrije tijd, als bezoekers in de zin van de APV. De burgemeester heeft dan ook aannemelijk gemaakt dat [wederpartij] door genoemde personen op haar terras na sluitingstijd te laten verblijven de aan haar opgelegde last heeft overtreden. Dit betekent dat de dwangsom is verbeurd en dat de burgemeester deze mocht invorderen. Het betoog slaagt.
  • ABRvS 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2300 (Bestemmingsplan, intern salderen en het additionaliteitsvereiste)
    De Afdeling bevestigt de lijn uit ECLI:NL:RVS:2026:193 (14 januari 2026): ook bij bestemmingsplannen waar een mitigerende maatregel in de passende beoordeling wordt betrokken die naar zijn aard ook als instandhoudings of passende maatregel kan worden ingezet, moet de raad motiveren waarom die maatregel niet nodig is als instandhoudings of passende maatregel. De raad kan aan deze motiveringsverplichting voldoen door zich ervan te vergewissen dat in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie nodig acht als instandhoudings of passende maatregel.
    In de voorliggende zaak is tussen partijen niet in geschil dat er in openbaar raadpleegbare gegevens geen aanwijzingen staan dat het bevoegd gezag de wijziging of beëindiging van de referentiesituatie in het plan nodig acht als instandhoudings of passende maatregel. De raad heeft daarmee deugdelijk gemotiveerd dat wijziging of beëindiging van de referentiesituatie in dit geval niet nodig is als passende maatregel.

Gerelateerde opleidingen