Resultaten van het eerste literatuuronderzoek van het Deelproject Samenwerking (DPS)

Datum bericht: 26 november 2025

Deze blog is de vierde in een serie van blogs die recent werd aangekondigd in het Tijdschrift voor Bouwrecht (TBR). Malcolm Aalstein en Natasja van Wijk – van Gilst1 maken in deze serie de opzet het tussenresultaat van het DPS-onderzoeksprogramma toegankelijk voor het brede publiek. In deze blog gaan zij in op de resultaten van het eerste literatuuronderzoek.

Deelproject Samenwerking (DPS)

De bouwsector is op zoek naar manieren om de samenwerking tussen de betrokken actoren te versterken. Maar welke instrumenten zijn effectief in het bevorderen van samenwerking? Hoe zijn deze instrumenten juridisch in te bedden? En ook, wanneer is feitelijk sprake van een effectieve samenwerking?

Deze vragen noopte het Instituut voor Bouwrecht (IBR) en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) tot een onderzoek naar de juridische operationalisering van op samenwerking gericht gedrag in de bouw (hierna: DPS).2

Onlangs is het eerste tussenresultaat van dit deelonderzoek verschenen: een working paper waarin een raamwerk wordt gepresenteerd waarmee instrumenten die gericht zijn op het bevorderen van ‘op samenwerking gericht gedrag’ op een systematische, consistente en eenduidige wijze kunnen worden geanalyseerd.3

De vierde in een serie

Malcolm Aalstein en Natasja van Wijk willen het onderzoek en het raamwerk in een serie van behapbare bijdragen toegankelijk maken voor het brede publiek. Zij hopen hiermee de discussie in de sector over het onderzoek en ook over de inrichting en effectiviteit van de instrumenten op gang te brengen.

In deze vierde bijdrage vertellen zij over het eerste brede literatuuronderzoek dat binnen DPS is uitgevoerd. Uit dit literatuuronderzoek bleekt de noodzaak voor een analytisch raamwerk.4

Het eerste Literatuuronderzoek

Een belangrijk startpunt van het onderzoek werd gevormd door een breed, oriënterend, literatuuronderzoek. Dit literatuuronderzoek is in fases 1 en 2 ingericht en uitgevoerd (zie hierover het derde blog in deze serie). Het was allereerst bedoeld om een beeld te krijgen van de stand van de wetenschap en de praktijk met betrekking tot de reeds beschikbare instrumenten en de daarmee opgedane ervaringen.

Tijdens deze fase van het onderzoek is een groot aantal artikelen geanalyseerd door het Kernteam (zie hierover het derde blog in deze serie). De analyse was gericht op de relatie tussen contracten en op samenwerking gericht gedrag in het algemeen, en in het bijzonder op samenwerking in de bouw en de wijze waarop de onderliggende instrumenten zijn vormgegeven en functioneren. Omdat dit eerste literatuuronderzoek een oriënterend karakter had, is de selectie van de te beschouwen artikelen op een explorerende wijze tot stand gekomen, zonder een voorafgaande inkadering. Er is een brede zoektocht naar artikelen gedaan, met combinaties van zoekwoorden als ‘collaboration’, ‘relational’, ‘construction’, ‘contract’, ‘procurement’, ‘legal’, ‘interorganizational’ enz.. Aanvullend is gekeken naar artikelen die leden van het Expertteam hebben aanbevolen. Met behulp van de ‘sneeuwbalmethode’ is vervolgens een breed scala aan artikelen beschouwd dat uit de eerste literatuurselectie kon worden gedestilleerd.

Indrukken uit het eerste literatuuronderzoek

Een belangrijke – maar toch wel verassende conclusie was dat het op basis van de beschouwde literatuur onmogelijk bleek om tot breed geldende uitspraken te komen over deze instrumenten, de wijze waarop die zijn geoperationaliseerd en de effectiviteit hiervan.

Het viel al snel op dat de instrumenten en de juridische implementatie van deze instrumenten, soms onvolledig en over het algemeen op een onvergelijkbare wijze zijn beschreven, hetgeen een betekenisvolle vergelijking niet makkelijk maakt. In de artikelen wordt daarnaast uiteenlopende terminologie gebruikt voor schijnbaar dezelfde concepten. Maar ook gelijkluidende termen en begrippen lijken in verschillende artikelen te verwijzen naar instrumenten of concepten die van elkaar verschillen. Soms marginaal, soms wezenlijk. Ook zijn de doelen die met de instrumenten worden nagestreefd, zijn in de aangetroffen artikelen regelmatig impliciet, deels of in het geheel niet beschreven, hetgeen een beschouwing van de effectiviteit van het instrument in de weg staat.

In de casestudies die beschikbaar waren en waarin de effecten van instrumenten in de praktijk waren gemeten, bleek regelmatig het effect van de omstandigheden5, die iets zeggen over de context en voorwaarden waaronder het instrument effectief kan zijn, veelal beperkt of onvolledig onderzocht. De samenhang met een groot aantal aspecten die extern zijn aan het instrument, maar bepalend in het succes van een bouwopgave, maakt dat de effectiviteit van een instrument niet in isolatie te beoordelen is (denk aan aspecten als de kwaliteit van de projectorganisatie, de bemensing, het leiderschap, financiële aspecten, omgeving, politiek enz.). In de beschouwde literatuur zijn in veel gevallen de kritische succesvoorwaarden voor het functioneren van het instrument niet voldoende onderkend of onderzocht. De instrumenten leken daardoor vaak (deels) in isolatie bestudeerd.

Tot slot lijken op het thema ‘samenwerking’ – zelfs in de wetenschappelijke literatuur – onbedoeld feiten, overtuigingen en idealen door elkaar te lopen. Bijvoorbeeld in het geval dat waarden als ‘transparantie’ en ‘vertrouwen’ als voorwaarde voor of als resultaat van een instrument worden aangehaald, worden deze in de onderzochte literatuur veelal als bekend verondersteld en vervolgens onvoldoende of in het geheel niet gedefinieerd. Ook wordt de wisselwerking tussen deze waarden en het instrument vaak slechts in algemene termen of niet systematisch beschouwd.

Kortom, uit het oriënterend literatuuronderzoek bleek dat een raamwerk nodig is waarmee een consistente beschrijving kan worden gegeven van elk onderzocht instrument, hoe dat juridisch is geoperationaliseerd, wat de doelen en effecten zijn van het instrument en van de wisselwerking tussen instrument en omstandigheden.

De onderzoekers hebben gezocht, maar hebben tot hun verrassing geen raamwerk met een vergelijkbare functie in de wetenschappelijke literatuur aangetroffen. Er zat voor de DPS-onderzoekers dan ook niets anders op dan dit raamwerk zelf te ontwikkelen. Zij hebben het resultaat van deze queeste in het working paper beschreven.

Onderzoek en raamwerk toegankelijk gemaakt

In deze en de voorgaande bijdrage en gastcolumn hebben we kort de aanleiding, achtergrond en het nut beschreven van het onlangs verschenen working paper ‘Samenwerking in de bouw juridisch operationaliseren: wat werkt (niet)?’. Daarnaast zijn we ingegaan op de vraag: wat is samenwerking? En hebben we kort de onderzoeksopzet besproken.

In hierna volgende bijdragen praten we u graag bij over het resultaat van het onderzoek (waaronder het nut en de werking van het raamwerk, de onderdelen van het raamwerk) en ‘de bijvangst’ – een aantal bijzondere inzichten die we gaandeweg hebben opgedaan. We hopen hiermee de discussie in de sector op gang te brengen over het onderzoek en over juridische inbedding van \instrumenten die op samenwerking gericht gedrag bevorderen.


Voor blog 3: ‘Samenwerking in de bouw: Onderzoeksopzet Deelproject Samenwerking (DPS)’, klik hier.

Voor blog 2: ‘Samenwerking in de bouw: wat is samenwerking? Over hoe een definitie het perspectief van het onderzoek kan bepalen’ klik hier.

Voor blog 1: ‘De aanleiding en de noodzaak van het onderzoek naar het juridisch operationaliseren van “samenwerking” in de bouw’ klik hier.


Voetnoten

  1. Malcolm Aalstein is visiting research fellow bij het Instituut voor Bouwrecht, werkzaam bij de gemeente Amsterdam als adviseur Markt & inkoop en als onafhankelijke zelfstandige werkzaam in conflictmanagement en mediation in de bouw. Natasja van Wijk – van Gilst is wetenschappelijk medewerker bij het Instituut voor Bouwrecht.  ↩︎
  2. Samenwerking in de bouw juridisch operationaliseren: wat werkt (niet)? Een raamwerk voor onderzoek naar de werking en effectiviteit van juridisch geoperationaliseerde instrumenten die op samenwerking gericht gedrag van actoren bij een bouwproces zouden kunnen bevorderen’, Den Haag Instituut voor Bouwrecht 2025 (versie september 2025), hierna: working paper.  Zie ook par. 1.3 working paper.
    Zie over dit onderzoeksproject par. 1.3 en par. 2.2 working paper. Zie ook https://www.ibr.nl/onderzoekskader-een-coherent-en-toekomstbestendig-stelsel-van-aanbestedings-en-juridisch-administratieve-kaders-voor-de-bouw/ ↩︎
  3. Samenwerking in de bouw juridisch operationaliseren: wat werkt (niet)? Een raamwerk voor onderzoek naar de werking en effectiviteit van juridisch geoperationaliseerde instrumenten die op samenwerking gericht gedrag van actoren bij een bouwproces zouden kunnen bevorderen’, Den Haag Instituut voor Bouwrecht 2025 (versie september 2025), hierna: working paper. ↩︎
  4. Voor de gastcolumn ‘De aanleiding en de noodzaak van het onderzoek naar het juridisch operationaliseren van “samenwerking” in de bouw’ klik hier ↩︎
  5. Met deze omstandigheden wordt gedoeld op aspecten die extern zijn aan de instrumenten zoals de competenties, het leiderschap, houding en gedrag van de deelnemers, de inrichting van de projectorganisatie, de taken, verantwoordelijkheden, en bevoegdheden van de deelnemers, rapportagelijnen, de wijze waarop (gezamenlijke) beeld- en besluitvorming plaatsvindt, de wijze van aansturing, maar ook de prijs van het werk, de context waarbinnen de projectorganisatie opereert, waaronder de wijze van betrokkenheid van omgevingspartijen, moederorganisaties en de gebruiken en gewoonten binnen de specifieke deelsector en van het land, de economie of conjunctuur, etc. etc. ↩︎

Gerelateerde blogs

Gerelateerde opleidingen

Gerelateerde publicaties