Samenwerking in de bouw

Samenwerking in de bouw: wat is samenwerking?

Datum bericht: 11 november 2025

Over hoe een definitie het perspectief van het onderzoek kan bepalen

Deze blog is de 2e in een serie van blogs die recent werd aangekondigd in het Tijdschrift voor Bouwrecht (TBR). Malcolm Aalstein en Natasja van Wijk – van Gilst1 maken in deze serie de opzet van het DPS-onderzoeksprogramma en het tussenresultaat van het onderzoek voor het brede publiek toegankelijk. Het voorgaande blog (die ook als gastcolumn in het TBR is verschenen) gaf een introductie op DPS en het tussenresultaat en een aankondiging van de serie. In deze blog gaan de auteurs in op een van de kernvraagstukken die in de eerste fase van het onderzoek heeft gespeeld; de definitie van ‘samenwerking’.

Deelproject Samenwerking

De bouwsector is op zoek naar manieren om de samenwerking tussen de betrokken actoren te versterken. Maar welke instrumenten zijn effectief in het bevorderen van samenwerking? Hoe zijn deze instrumenten juridisch in te bedden? En ook, wanneer is feitelijk sprake van een effectieve samenwerking?

Deze vragen noopte het Instituut voor Bouwrecht (IBR) en de Vrije Universiteit Amsterdam (VU) tot een onderzoek naar de juridische operationalisering van op samenwerking gericht gedrag in de bouw (hierna: Deelproject Samenwerking of DPS).2

Onlangs is het eerste tussenresultaat van dit deelonderzoek verschenen: een working paper waarin een raamwerk wordt gepresenteerd waarmee instrumenten die gericht zijn op het bevorderen van ‘op samenwerking gericht gedrag’ op een systematische, consistente en eenduidige wijze kunnen worden geanalyseerd.


De 2e in een serie

Malcolm Aalstein en Natasja van Wijk willen het onderzoek en het raamwerk in een serie van behapbare bijdragen toegankelijk maken voor het brede publiek. Zij hopen hiermee de discussie in de sector over het onderzoek en ook over de inrichting en effectiviteit van de instrumenten op gang te brengen.

In deze tweede bijdrage bespreken zij de definitie van samenwerking die binnen DPS wordt aangehouden – en belangrijker nog – waarom een goede definitie van ‘samenwerking’ bepalend is voor dit onderzoeksprogramma.

Wat is samenwerking?

In de bouwsector wordt veel gesproken over ‘samenwerking’ en dat een goede samenwerking cruciaal is voor het succesvol voorbereiden en uitvoeren van bouwopgaves. Maar wat er wordt bedoeld onder ‘samenwerking’ wordt zelden concreet gemaakt. Uit zowel de literatuur als de in praktijk blijkt dat betrokkenen de term ‘samenwerking’ verschillende betekenissen toekennen.3 Maar gevraagd naar een definitie, blijft het helaas vaak stil of komt het niet verder dan naar zichzelf verwijzende algemeenheden. Bijzonder genoeg blijkt dit ook te gelden voor wetenschappelijke literatuur over de bouwsector.

De definiëring van het begrip ‘samenwerking’ heeft de onderzoekers binnen het onderzoeksprogramma dan ook lang beziggehouden. De term samenwerking leek eerder meer discussie en ruis te veroorzaken dan dat zij helderheid en houvast bracht. Ook bleek elke poging tot definitie óf te weinig helderheid en houvast te bieden – óf te smal en te beperkt te zijn verwoord.4

Een diepere analyse van het vraagstuk bracht de onderzoekers tot de realisatie dat het binnen dit onderzoek niet alleen ondoenlijk, maar vooral ook onnodig zou zijn om tot een universeel geldige definitie van de term ‘samenwerking’ te komen. In sterk vereenvoudigde vorm is het resultaat van die analyse als volgt te beschrijven:

Samenwerking is geen doel op zich, het is een middel voor actoren om hun doelen te bereiken. Het gaat dan om doelen die deze actoren moeilijk of in het geheel niet zelfstandig kunnen bereiken. Hiertoe gaan deze actoren een samenwerkingsverband aan. Binnen dit samenwerkingsverband kunnen deze actoren ‘op samenwerking gericht gedrag’ vertonen.


Drie-eenheid

Daaruit volgt dat het voor het onderzoek eigenlijk al voldoende basis biedt om de termen ‘actor’, ‘samenwerkingsverband’ en ‘op samenwerkingsgericht gedrag’ te definiëren. Hieronder de definities die binnen DPS worden aangehouden;

Een samenwerkingsverband is het verschijnsel waarbij twee of meerdere actoren hun capaciteiten, competenties of middelen gezamenlijk dan wel op elkaar afgestemd inzetten of bundelen, om doelen te bereiken of effecten te realiseren die elk van de afzonderlijke actoren moeilijk of in het geheel niet zelfstandig kan bereiken of realiseren.5

En;

Een actor is een persoon, team of partij die bij het samenwerkingsverband betrokken is of door gedrag van het samenwerkingsverband wordt geraakt.

En;

Een instrument bevordert op samenwerking gericht gedrag wanneer de toepassing van het instrument tot gevolg heeft dat actoren binnen het samenwerkingsverband, vanuit een besef van wederzijdse afhankelijkheid, besluiten om (de gevolgen van) kwesties die de realisatie van de doelstellingen die zij met het bouwproces voor ogen hebben zouden kunnen bedreigen, samen te voorkomen, te beheersen en/of op te lossen. Zij staan in dat kader open voor een gezamenlijke aanpak en hebben oog voor het gezamenlijk belang, in plaats van alleen maar het eigen belang of verantwoordelijkheid te bewaken. De actoren trekken zich in de hiervoor bedoelde kwesties niet terug op hun eigen domein, maar stellen zich actief coöperatief op en zoeken actief de betrokkenheid van de ander.

Het gaat derhalve over instrumenten die de interactie tussen actoren binnen het samenwerkingsverband beïnvloeden, en niet om instrumenten die uitsluitend tot gedragseffecten ten aanzien van één actor leiden zonder dat effect te hebben op de interactie tussen actoren. Het containerbegrip bevorderen omvat alle formuleringen van gedragsbeïnvloeding die zich bevinden op de glijdende schaal tussen ‘hulp’ en ‘dwang’ (ondersteunen, faciliteren, prikkelen, stimuleren, etcetera).6

Ook kunnen en willen de onderzoekers geen definitie geven van hoe ‘samenwerking’ er uit ziet, wat ‘een goede samenwerking’ inhoudt en wat de voorwaarden voor een ‘goede samenwerking’ zijn. Dit bleken ook aspecten waarvan het ondoenlijk bleek om die van een voor dit onderzoek behulpzame definitie te voorzien. In het raamwerk dat vervolgens is gedefinieerd wordt gesproken over de aard en inrichting van de instrumenten, de differentiatie en typen doelen die deze instrumenten dienen en de context of de omstandigheden waarbinnen deze instrumenten moeten functioneren.7

Bovenstaande ‘drie-eenheid’ – actoren, samenwerkingsverband en op samenwerking gericht gedrag – is zorgvuldig gedefinieerd, omdat deze definities het perspectief, de reikwijdte en het functioneren van het raamwerk bepalen.

We beperken ons tot een enkel voorbeeld. Merk op dat we met actoren niet alleen personen bedoelen, maar ook teams, ‘teams van teams’ of partijen. Zelfs een netwerk van partijen kan daarmee als ‘actor’ worden aangeduid. Hiermee wordt het beperkende perspectief van de binnen de sector gevleugelde term, dat samenwerken enkel ‘mensenwerk’ is, geneutraliseerd. De interactie binnen het samenwerkingsverband is immers niet beperkt tot de interactie tussen mensen. Ook organisaties voeren handelingen uit en werken samen als autonome entiteiten. Dit is een perspectief dat volgt uit de agency theorie in de organisatiekunde.8 Daarnaast blijken bijvoorbeeld de organisaties enerzijds, en de aan deze organisaties verbonden personen anderzijds andere (en prima gelegitimeerde) doelen na te kunnen streven.

Dit is een voorbeeld van een de vele gevallen waarin de definitie van de begrippen en de structuur van het analytisch raamwerk bepalen wat binnen dit onderzoek zichtbaar en daarmee bespreekbaar wordt – en wat anderszins ‘out of scope’ of toegedekt zou blijven.


Onderzoek en raamwerk toegankelijk gemaakt

In de voorgaande bijdrage en gastcolumn/blog9 hebben we kort de aanleiding, achtergrond en het nut beschreven van het onlangs verschenen working paper ‘Samenwerking in de bouw juridisch operationaliseren: wat werkt (niet)?’.

In hierna volgende bijdragen praten we u graag bij over de opzet van het onderzoek, het resultaat van het onderzoek (waaronder het nut en de werking van het raamwerk, de onderdelen van het raamwerk) en ‘de bijvangst’ – een aantal bijzondere inzichten die we gaandeweg hebben opgedaan. We hopen hiermee de discussie in de sector op gang te brengen over het onderzoek en over juridische inbedding van instrumenten die op samenwerking gericht gedrag bevorderen.

Voor blog 1: ‘De aanleiding en de noodzaak van het onderzoek naar het juridisch operationaliseren van “samenwerking” in de bouw’ klik hier.


Voetnoten

  1. Malcolm Aalstein is visiting research fellow bij het Instituut voor Bouwrecht, werkzaam bij de gemeente Amsterdam als adviseur Markt & inkoop en als onafhankelijke zelfstandige werkzaam in conflictmanagement en mediation in de bouw. Natasja van Wijk – van Gilst is wetenschappelijk medewerker bij het Instituut voor Bouwrecht. ↩︎
  2. Samenwerking in de bouw juridisch operationaliseren: wat werkt (niet)?
    Een raamwerk voor onderzoek naar de werking en effectiviteit van juridisch geoperationaliseerde instrumenten die op samenwerking
    gericht gedrag van actoren bij een bouwproces zouden kunnen bevorderen’, Den Haag Instituut voor Bouwrecht 2025 (versie september 2025), hierna: working paper.  Zie ook par. 1.3 working paper.
    Zie over dit onderzoeksproject par. 1.3 en par. 2.2 working paper. Zie ook https://www.ibr.nl/onderzoekskader-een-coherent-en-toekomstbestendig-stelsel-van-aanbestedings-en-juridisch-administratieve-kaders-voor-de-bouw/. ↩︎
  3. Zie working paper par. 1.4. ↩︎
  4. Zie working paper par. 1.3 en 1.4.   ↩︎
  5. Zie working paper par. 1.4. ↩︎
  6. Zie working paper par. 2.2.2. ↩︎
  7. Deze drie elementen zullen wij in komende bijdragen behandelen. ↩︎
  8. Agency van organisaties (oftewel: of organisaties zelf handelingsvermogen bezitten, los van hun leden) is een kernpunt in organisatiekunde, sociologie en filosofie van instituties. Zie onder meer Philip Selznick die in Leadership in Administration (1957), stelt dat organisaties een karakter, identiteit en waarden ontwikkelen die hun gedrag sturen. De organisatie wordt zo meer dan een optelsom van mensen — ze ontwikkelt een eigen wil of persoonlijkheid. Of Margaret Archer die in Realist Social Theory (1995) stelt dat organisaties emergente eigenschappen bezitten. Zij kunnen handelen, weerstand bieden of doelen nastreven, onafhankelijk van de individuen erin. ↩︎
  9. Voor de gastcolumn ‘De aanleiding en de noodzaak van het onderzoek naar het juridisch operationaliseren van “samenwerking” in de bouw’ klik hier. ↩︎

Gerelateerde blogs

Gerelateerde opleidingen

Gerelateerde publicaties